Maandelijks archief: september 2013

Paris, je (ne) t’aime (pas)

Enkele maanden geleden lanceerde het Vlaams-Nederlands huis deBuren een zeer aanlokkelijke oproep: jonge schrijvers die zin hadden om twee weken lang in Parijs te vertoeven en daar vervolgens op literaire wijze over te reflecteren mochten zich kandidaat stellen voor een residentie die zou doorgaan tijdens de eerste twee weken van juli. Een Peperredacteur diende haar kandidatuur in en werd, samen met negentien andere jongeren, uitverkoren.

Wie door de biografieën van de deelnemerslijst van de Parijsdelegatie bladert, merkt meteen een grote verscheidenheid op. Het merendeel van de deelnemers zijn journalisten, waarvan het grootste deel schrijft voor De Groene Amsterdammer of hard/hoofd. Daarnaast hebben we nog een radiomaakster en een fotografe in het gezelschap, zijn er enkelen die fictie schrijven en zijn er ook nog wat die de grenzen tussen de genres wat willen aftasten.

Zo verscheiden als de deelnemers zijn ook de plannen waarmee we naar Parijs zijn gekomen. Sommigen hebben op voorhand al uitgebreid nagedacht over wat ze in Parijs willen doen, hebben afspraken gemaakt voor interviews of een lijstje gemaakt met de restaurants die zeker bezocht moeten worden. Ik heb geen plan, wil gewoon de stad op mij laten inwerken en de inspiratie vanzelf laten komen.

Al op dag één leer ik enkele belangrijke lessen. Mijn voornemen om Parijs per fiets te verkennen, blijkt neer te komen op het voornemen zo snel mogelijk in het ziekenhuis te belanden: deze stad is gemaakt op maat van koning auto. Op dag twee wordt de fiets dus ingeruild voor de metro. Dat het ecologisch denken nog niet helemaal is doorgedrongen tot de Franse hoofdstad, blijkt bovendien uit het aanbod vegetarische gerechten in de Parijse restaurants, dat zo goed als onbestaande is. Een voordeel is dan weer wel dat je bij je eten steeds gratis een karafje kraantjeswater krijgt geserveerd. Een gewoonte die wat mij betreft meteen naar België geëxporteerd zou mogen worden.

Parijs als illusie

Om ons van de nodige inspiratie te voorzien, hebben de mensen van deBuren voor ons enkele ontmoetingen geregeld met interessante mensen die op de één of de andere manier een band hebben met Parijs. Op de eerste avond is een ontmoeting geregeld met schrijver en historicus David Van Reybrouck, die het heeft over de illusie die Parijs geworden is. Parijs is, zo stelt hij, in het verleden blijven hangen en probeert dit verleden krampachtig vast te houden. In tijden van globalisering en schaalvergroting, plooien de regio’s ook in Frankrijk steeds meer op zichzelf terug. Parijs, dat lang het centrum van het land was, verliest stilaan macht, doordat de verschillende Franse regio’s autonomer worden en meer de eigen identiteit willen beklemtonen. Parijs houdt echter de illusie hoog nog steeds de culturele hoofdstad te zijn, maar te tijd dat de avant-garde kunstenaars Parijs uitkozen om te leven en werken, blijkt voorbij. In plaats van de progressieve en revolutionaire stad die ze in het verleden was, heeft Parijs vandaag uitgesproken conservatieve trekken, denk maar aan de massale betogingen tegen het homohuwelijk die er recent plaatsvonden.

Ook schrijver Adriaan Van Dis heeft het, wanneer hij twee dagen later met ons in gesprek gaat, over de illusie die de blanke, rijke elite van Parijs in stand tracht te houden. Parijs is een zeer multiculturele stad, zo kon Van Dis ervaren, maar de verschillende etnische gemeenschappen leven er naast elkaar. De Parijse elite ontkent de realiteit van wat zich afspeelt in de banlieues: de problemen en de rellen daar worden in de media zo goed als doodgezwegen. C’est pas Paris, zegt men en daarmee is de kous af.

De stadsmuren van Parijs

Na een week Parijs krijgen de eerste ideeën in mijn hoofd langzaam vorm. In het museum van de kunst en geschiedenis van het Jodendom staat een kunstwerk van Sophie Calle, L’Erouv de Jérusalem’ waardoor ik een intrigerend stukje Joodse cultuur meekrijg. Het is Joden verboden, zo leer ik, om tijdens de Sabbat voorwerpen van privaat naar publiek domein te dragen, maar deze regel geldt niet binnen een ommuurde stad, omdat deze geldt als privaat domein. Omdat steden vandaag de dag niet langer ommuurd zijn, wordt er een draad rond de stad gespannen, de zogenaamde ‘Eruv’, die een soort van virtuele muur vormt, zodat een stuk stad waarrond een Eruv gespannen is, als ommuurd geldt. Dit idee zet mij, mede gevoed door de verhalen die David Van Reybrouck en Adriaan Van Dis vertelden, op het spoor om voor het verhaal dat ik hier geacht wordt te schrijven rond het idee van een muur te werken: de virtuele muur die hier tussen de verschillende gemeenschappen loopt, de stukken stadsmuur die nog her en der in de stad terug te vinden zijn en die het bijzondere verhaal van Parijs vertellen: de stadsmuur van Parijs was immers niet enkel bedoeld om vijandelijke troepen buiten de stad te houden, de stadsmuur was evengoed bedoeld om de Parijzenaars onder controle te houden. Parijs kent een geschiedenis van revoluties en de stadsmuren werden evengoed gebruikt door het Franse machthebbers om de opstandige Parijzenaars in de gaten en in toom te houden. Het roept de vraag op wie door een muur beschermd dient te worden: wie zich binnen of wie zich buiten de muren bevindt.

Parijs onder de oppervlakte

Wanneer de tweede week ingaat, is er een derde ontmoeting gepland, ditmaal met architect en stedenbouwkundige Pieter Uyttenhove, die ons vergast op een associatieve lezing waarin de dood van Lady Di gekoppeld wordt aan de stedenbouwkundige geschiedenis van Parijs. Voor de meesten onder ons is zijn uiteenzetting net iets té associatief, maar we komen toch weer enkele bijzonderheden over deze stad te weten, zoals het feit dat het zuidelijke deel van Parijs, zoals de plek waar we verblijven, in vroeger tijden een steengroeve was, waardoor in de ondergrond een heel gangenstelsel te vinden is. In theorie is het gangenstelsel verboden terrein, maar in de praktijk blijkt het gebruikt te worden door jongeren die er feestjes organiseren, satanisten die er zwarte missen houden en ander fraais. Net als bij de andere twee gesprekken blijkt ook hier weer dat de interessantste kant van Parijs zich niet aan de oppervlakte bevindt. Laat dat dan de conclusie zijn van twee weken wonen en werken in de Franse hoofdstad: dat datgene wat de Parijzenaars zelf hardnekkig trachten verborgen te houden, misschien wel het hart van deze stad zou kunnen zijn.

Dit artikel werd geschreven naar aanleiding van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre en verscheen in Peper

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

Marktisme (What’s in a name?)

Ze waren niet meer te tellen, de artikels die op de redactie van het tijdschrift ʻStrevenʼ aangeboden werden en die allemaal draaiden rond dezelfde thema’s: vermarkting, commercialisering, kwantificering, neoliberalisme of hoe men het noemen wil. Bij de redactie ontstond zo het idee een aantal van deze artikels te bundelen tot een boek, dat de titel ʻMarktisme. Kritiek op het berekenende samenlevingʼ meekreeg.

Over de titel waren ze het blijkbaar niet meteen eens. Want wat betekent de term ʻmarktismeʼ immers? Het woord werd een paar jaar geleden gelanceerd door de Nederlandse socioloog Abram De Swaan, maar is nog geen gemeengoed. Toch vat de term, volgens filosoof Guido Vanheeswijck, de in de verschillende artikels waaruit dit boek bestaat beschreven situatie treffend samen: net als vele andere -ismen verwijst marktisme namelijk naar een bepaald ideologisch kader met totalitaire trekken.

Marktisme als totalitarisme

Het artikel waarin Van Heeswijck een analyse maakt van het totalitaire karakter van het marktisme, is dan ook één van de eersten die in de bundeling zijn opgenomen. Om zijn stelling dat het marktisme beschouwd kan worden als een totalitarisme, valt Van Heeswijck terug op de omschrijving die de bekende filosofe Hannah Arendt in het standaardwerk ʻThe Origins of Totalitarianismʼ van het begrip totalitarisme geeft en de toepassing van dit begrip op het nazisme en het communisme. Toch zijn er al meteen twee belangrijke verschillen die hij opmerkt en die het marktisme onderscheiden van de twee andere doctrines.

In de eerste plaats propageert het marktisme, in tegenstelling tot nazisme of communisme, geen inhoudelijk project: het predikt geen politieke of economische revolutie en viseert geen ras als inferieur of verderfelijk. Een tweede belangrijk verschil bestaat in het feit dat het marktisme geen gezicht heeft: er is geen leider, geen persoon die het belichaamt. Het totalitaire van het marktisme toont zich daarom op paradoxale wijze: er is machtsuitoefening, maar geen machtsconcentratie in één individu. In een ander artikel dat in de bundeling is opgenomen maakt schrijver en filosoof Greg Houwer een gelijkaardige bedenking: macht is, zo stelt hij, van alle tijden, maar waar ze vroeger zichtbaar en identificeerbaar was, heeft ze nu een veel onzichtbaarder en meer alomtegenwoordig karakter. Het marktdenken is immers tot in alle geledingen van onze samenleving doorgedrongen en heeft met haar nuts- en winstmaximaliserende logica overal een onzichtbare hand in. De identificeerbare macht, in de vorm van ministers of staatsleiders, is hierdoor, volgens Houwer, misschien wel machtelozer geworden dan ooit tevoren.

Newspeak

Het marktisme mag dus wel ongrijpbaar zijn, juist daarom dringt het makkelijk tot alles door. Socioloog Walter Weyns vergelijkt het begrip dan ook met lucht: je moet al bijna onder een stolp leven om te vermijden het in te ademen. En wie het inademt raakt al snel licht geïntoxiceerd en ziet de wereld op zijn kop. Het marktisme draait immers de betekenis van waarden en woorden om. Het hanteert een vorm van ʻnewspeakʼ, een term die gelanceerd werd in George Orwells bekende dystopische roman ʻ1984ʼ. Orwell beschrijft de term als een taal die uitgedacht is om te voorzien in de ʻbehoeften van de ideologieʼ, een taal op maat van techneuten en experten, die geen ruimte voor reflectie laat.

Dat het marktisme al diep in onze cultuur is doorgedrongen, valt dan ook te merken aan ons taalgebruik, omdat de betekenis van woorden steeds meer verengt tot de economische betekenis. Zoals theatermaker Stijn Devillé in zijn theatertekst ʻHebzuchtʼ opmerkt, verliezen woorden als ʻzorgʼ, ʻvertrouwenʼ, ʻdelenʼ of ʻhoudenʼ hun betekenis, omdat ze nog slechts klinken als ʻconcernʼ, ʻtrustʼ, ʻshareʼ of ʻholdingʼ.

Onderwijs en de markt

Dat het marktisme op allerlei maatschappelijke domeinen aanwezig is, blijkt onder andere in het onderwijs. Een aantal artikels in het boek behandelen dan ook specifiek de vraag in welke mate de toegenomen drang tot kwantificering en het toegenomen marktdenken nefast zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. Jong Groen wijdde hier vorig jaar al eens een debat aan, waarin o.a. VDAB-topman Fons Leroy en minister van Onderwijs Pascal Smet de vraag kregen voorgelegd in welke mate onderwijs zich op de markt moet richten. De laatste jaren werden immers allerlei ideeën gelanceerd die suggereren dat onderwijs exclusief de taak heeft mensen voor te bereiden op een plek op de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld het voorstel om de inschrijvingsgelden van opleidingen waar op de arbeidsmarkt weinig vraag naar is fors op te trekken en deze van door de arbeidsmarkt gegeerde opleidingen zeer laag te maken.

Maar ook op allerlei andere vlakken komt het onderwijs steeds meer onder druk van ʻde marktʼ te staan. Zo zet Walter Weyns bijvoorbeeld vraagtekens bij het zogenaamde ʻflexibele studerenʼ, dat in plaats van ervoor te zorgen dat studenten zich ten volle op hun studie zouden kunnen richten maakt dat studenten net voortdurend worden afgeleid door allerlei bureaucratische regels. Aan de kant van de leerkracht merkt leraar Frank Saenen in zijn artikel dan weer op dat de onderwijsinspectie leerkrachten meer en meer dwingt tot standaardisering van het lesgeven en dat de individuele invulling van het vak en de eigenheid van de individuele leerkracht steeds meer naar de achtergrond verdwijnen. En er is de algemene bemerking van filologe Rosine Van Oost dat, zoals ook filosofe Martha Nussbaum in ʻNot for Profitʼ opmerkt, de arbeidsmarktgerichtheid van het onderwijs ten koste gaat van het onderwijs in de kunsten en geesteswetenschappen, die nochtans een bijzondere eigen bedrage leveren aan de ontwikkeling van het individu.

Complex, warrig, ongrijpbaar

De reikwijdte van de verschillende artikels die alleen al over onderwijs gaan, geven aan dat het boek zeer breed is opgebouwd. Net daarom is het moeilijk om het marktisme echt precies te omschrijven. Voor de samenstellers was het formuleren van een precies antwoord op de vraag wat het marktisme nu precies is dan ook niet het hoofddoel: het marktisme is immers complex, warrig en ongrijpbaar. In plaats daarvan kozen ze ervoor een aantal verschillende artikels samen te brengen die aangeven wat er in allerlei verschillende domeinen aan de gang is, zoals in de politiek, het onderwijs, sport, cultuur en gezondheidszorg. In plaats van een exacte definitie krijgt de lezer dus een hele waaier aan ideeën en observaties aangeboden, die hij zelf bij elkaar moet zien te puzzelen en wordt hij uitgenodigd zich zelf een gefundeerde mening te vormen over de beschreven problematiek. Wie zich een beeld wil vormen hoe het marktisme concreet in ons leven ingrijpt, is bij deze dus uitgenodigd het boek zelf eens ter hand te nemen. 

 

Dit artikel verscheen eerder in Peper

1 reactie

Opgeslagen onder Peper / Vlam