Categorie archief: Peper / Vlam

Mensenrechten versus burgerrechten. Giorgio Agamben over de vluchteling

De afgelopen maanden bleven de beelden zich opstapelen. Improvisatorische vluchtelingenkampen die ontstaan aan grensovergangen die van de ene dag op de andere worden dichtgegooid. Een grote massa mensen die te voet over de autostrade van het ene land naar het andere wandelt. Mannen, vrouwen en kinderen die uit het water worden gevist na de oversteek op zee in een gammele boot. De beelden worden beantwoord met een stortvloed aan opinies en politiek paniekvoetbal.

Om de Europese reactie op de vluchtelingencrisis beter te begrijpen, kan het interessant zijn even afstand te nemen van de actuele problematiek en de vooronderstellingen bloot te leggen die aan het politieke debat ten grondslag liggen. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben kan ons daarbij helpen.

Agamben omschrijft de vluchteling als een ‘homo sacer’, een begrip dat hij ontleent aan het Romeins recht. De homo sacer was oorspronkelijk iemand die uit de politieke samenleving werd uitgesloten, een banneling, een vogelvrij verklaarde. Dat dit geen wenselijke positie was, blijkt onder andere uit het feit dat het doden van een zogenaamde homo sacer in de Romeinse tijd niet werd beschouwd als moord. Als homo sacer werd men dus niet alleen niet langer als burger beschouwd, maar bovendien eigenlijk ook niet meer als mens.

Agamben argumenteert dat er tegenwoordig opnieuw een homo sacer bestaat, door te wijzen op een belangrijk aspect van de in 1789 geformuleerde ‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’ (Verklaring van de rechten van de mens en de burger). Met deze tekst krijgt de mens, louter omwille van het feit dat hij geboren is, rechten toegekend (‘Alle mensen zijn gelijk en met onvervreemdbare rechten geboren.’). Tegelijkertijd worden deze rechten echter stilzwijgend verbonden aan de natiestaat. Agamben laat zien dat de zogenaamd onvervreemdbare rechten geen universele regels zijn die altijd en overal gelden, maar een belangrijke rol spelen in het stichten en behouden van de staat. Het doel van de staat is namelijk het waarborgen van de mensenrechten, maar hij kan dit enkel door van de mensen die op zijn grondgebied zijn geboren ‘burgers’ te maken. Zo koppelen we mensenrechten impliciet aan burgerrechten.

Daardoor ontstaat een wrange verhouding tot de vluchteling. Mensenrechten zijn enkel als burgerrechten te waarborgen, dus wie geen burger is lijkt geen aanspraak te kunnen maken op zijn rechten. Hij is een ‘homo sacer’, uitgesloten van bescherming door de politiek-juridische orde. De homo sacer is vandaag dus niet meer letterlijk vogelvrij verklaard, maar lijkt, doordat hij geen aanspraak kan maken op burgerschap ook niet langer als mens beschouwd te worden. Met de schrijnende situaties aan de grenzen van Europa als gevolg.

Dit artikel verscheen eerder in Vlam

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

‘Fake nature’ in romanvorm

Dit artikel is een aanvulling bij het artikel over Fake Nature

Dat we kunnen argumenteren tegen ˈfake natureˈ door gebruik te maken van ideeën uit de kunst, is een interessant idee, maar wie de discussie wat té abstract vindt, kan eventueel bij een interessante roman te rade gaan. In het veelgeprezen ˈFreedomˈ van de Amerikaanse auteur Jonathan Franzen speelt de discussie tussen natuurbehoud en natuurrestauratie immers een belangrijke rol.

Hoofdpersonage van Franzens boek is Walter Berglund, een Amerikaan met Zweedse roots, die op een bepaald moment een aanbod krijgt van een groot bedrijf dat zich bezig houdt met het winnen van steenkool. Omdat de bedrijfsleider graag een goede daad wil stellen waarmee hij zichzelf en zijn organisatie een groen imago kan aanmeten, wil hij een milieu-organisatie oprichten die met het steelkoolbedrijf kan samenwerken. Walter Berglund wordt benaderd om de leiding van deze nieuwe organisatie op zich te nemen.

Walter Berglund ziet geen graten in de samenwerking tussen het steenkoolbedrijf en de milieu-organisatie waarover hij de leiding krijgt. De afspraak is immers dat het bedrijf steenkoolrijke gronden zal aankopen en daar vervolgens gedurende jaren steenkool zal winnen. Eenmaal de bodem uitgeput, worden de gronden overgedragen aan de milieu-organisatie die ze tot natuurgebieden kan omvormen.

Voor Walter is dit een prima deal: ze zorgt er immers voor dat er op lange termijn enkele grote natuurgebieden kunnen worden gecreëerd. Walter en zijn organisatie krijgen echter met de nodige tegenstand te maken. In de eerste plaats zijn er de bewoners van de plek die is uitgekozen als mijngebied en die niet van plan lijken hun woonplaats op te geven in ruil voor een hoop dollars van de steenkoolindustrie. Daarnaast krijgt Walter het aan de stok met een andere milieu-organisatie die het idee afkeurt dat een stuk natuur zal worden vernietigd ten voordele van de steenkoolindustrie, zelfs indien de natuur achteraf ˈgerestaureerdˈ zal worden.

De discussie of het ethisch is om de natuur op te offeren aan de industrie, zelfs als de natuur achteraf ˈgerestaureerdˈ zal worden is één van de relevante problematieken die door het boek worden opgeroepen. Ook andere prangende thema’s zoals het energievraagstuk en de oorlog in Irak passeren de revue. Franzen wil zijn lezer daarbij niet van een bepaald standpunt overtuigen, maar nodigt de lezer uit zelf na te denken over de problemen die door het boek worden aangekaart en zich hierover zelf een mening te vormen. Het boek is dus minder geschikt voor wie op zoek is naar licht verteerbaar en ontspannende lectuur. Maar voor wie graag door een boek aan het denken wordt gezet en in een boek een interessante gesprekspartner zoekt, is het zonder twijfel een absolute aanrader.

Dit artikel verscheen eerder in Peper

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

Fake Nature (of wat de esthetica ons over de natuur kan leren)

Wie bij het horen van de term ˈestheticaˈ automatisch aan de lessen in de middelbare school denkt waarin de geschiedenis van de kunst op het programma stond, kijkt waarschijnlijk raar op bij de combinatie van de termen ˈnatuurˈ en ˈestheticaˈ. Toch is deze combinatie evidenter dan ze op het eerste zicht zou lijken.

Eerst een woordje uitleg over het begrip ˈestheticaˈ zelf. In oorsprong is esthetica een filosofisch begrip, dat in de 18e eeuw werd geïntroduceerd door de Duitse Verlichtingsfilosoof Alexander Baumgarten. Voor Baumgarten verwees dit begrip naar een bepaalde vorm van kennis, namelijk kennis die afkomstig was van de zintuigen. Niet lang na Baumgarten kreeg de esthetica een belangrijke rol toebedeeld in de filosofie van de veel bekendere Immanuel Kant. Reeds bij Kant vinden we een esthetisch concept terug dat op zowel de natuur als de kunst van toepassing zou kunnen zijn.

de waarde van de natuur

Een belangrijke idee die terug te vinden is bij Immanuel Kant is dat een esthetische ervaring van een bepaald object ons ertoe brengt dit object als een doel op zich te zien. Het schone staat met andere woorden niet ten dienste van een extern doel, maar is waardevol omwille van zichzelf.

Net deze idee kan vandaag heel waardevol zijn wanneer we het over de natuur hebben. Een vraag die voor veel debatten over natuur en milieu relevant is, is of de natuur ook enkel omwille van zichzelf (en dus niet enkel omdat ze voor de mens van belang is) een bepaalde waarde heeft.

De problematiek van de intrinsieke waarde, de waarde die iets enkel omwille van zichzelf heeft, is dan ook iets wat de debatten binnen de kunsttheorie en het denken over de natuur met elkaar gemeen hebben. In de kunstfilosofie wordt immers vaak de stelling verdedigd dat kunst voor een aantal andere maatschappelijke domeinen een bijzondere waarde kan hebben. Zo kan het werken met kunst in het onderwijs kinderen bijvoorbeeld helpen bij het ontwikkelen van empathie en kritisch denken. Maar daarnaast wordt er ook op gewezen dat het gevaarlijk is kunst te reduceren tot zijn positieve impact op andere domeinen, omdat op die manier voorbij gegaan wordt aan het feit dat kunst in de eerste plaats een intrinsieke waarde heeft.

Eenzelfde tweedeling vinden we terug in het ecologisch denken. Er zijn ecologisten die het belang van natuurbehoud en milieuzorg motiveren vanuit het belang dat de natuur voor de mens heeft. We hebben er immers, alleen al vanwege ons eigen menselijke leven, baat bij ervoor te zorgen dat het niet tot een ecologische ramp komt. Vanuit de radicale ecologie wordt er echter niet vanuit de mens vertrokken om de waarde van de natuur te motiveren. Integendeel, net het feit dat de mens antropocentrisch denkt, zichzelf centraal plaatst, en de natuur reduceert tot een instrument om in de menselijke behoeften te voldoen, wordt beschouwd als een belangrijke oorzaak van de ecologische problematiek. De radicale ecologie wijst dan ook op het belang van de intrinsieke waarde van de natuur. De natuur is immers niet enkel waardevol omdat ze van belang is voor het menselijke voortbestaan, maar ook omdat ze omwille van zichzelf een waarde heeft.

Kunst en natuur

Het feit dat er parallellen te trekken zijn tussen de waardering van kunst en de waardering van de natuur, heeft er dan ook toe geleid dat nogal wat filosofen zijn gaan nadenken over de verhouding tussen beiden. Zo formuleerde bijvoorbeeld de 20e-eeuwse filosoof en musicoloog Theodor W. Adorno de gedachte dat het inzicht in de intrinsieke waarde van de kunst ons zou kunnen leren de natuur te appreciëren. Maar niet enkel bij Adorno is deze idee terug te vinden. Er zijn veel filosofen te vinden die in dezelfde lijn de gedachte uitwerken dat het waarderen van kunst beschouwd zou kunnen worden als een soort van voorbereiding op de waardering van de natuur.

Een interessant raakpunt tussen kunst en natuur is ook te vinden in de argumenten tegen zogenaamde ˈfake natureˈ. De idee van ˈfake natureˈ hangt samen met wat we de restauratie-thesis kunnen noemen: de idee dat de vernietiging van iets van waarde gecompenseerd kan worden door de (re)creatie van iets van gelijke waarde. Deze idee van restauratie is terug te vinden in de wetgeving: indien ergens een waardevol stuk natuur plaats moet ruimen voor bijvoorbeeld de aanleg van industriezone, een autoweg of de uitdieping van een rivier, moet ervoor gezorgd worden dat er op een andere plek een ˈgelijkwaardigˈ stuk natuur wordt aangelegd. Op die manier kan een minister op het matje worden geroepen als blijkt dat tijdens haar regeerperiode de oppervlakte van bijvoorbeeld bos is afgenomen terwijl deze dus eigenlijk minstens gelijk had moeten blijven.

Valse en echte natuur

Op het eerste zicht kan bovenstaande redenering billijk lijken: als de vernietiging van een stuk natuur op evenredige wijze wordt gecompenseerd, is er toch geen probleem? Toch blijkt intuïtief dat er iets schort aan deze redenering. Is er dan geen enkel verschil tussen een stuk natuur dat zonder menselijke tussenkomst is ontstaan en een door mensen ˈgeconstrueerdˈ stuk natuur?

In deze discussie kan het relevant zijn een parallel te trekken met wat we spontaan denken over kunst. Zo vergelijkt milieu-ethicus Robert Eliot bijvoorbeeld het verschil tussen echte of geconstrueerde natuur met het verschil tussen een origineel kunstwerk en een vervalsing. Bij kunst is het immers duidelijk dat we veel meer waarde zullen hechten aan het originele werk, al is voor de leek het verschil tussen echt en vals niet altijd te zien.

Bij kunstwerken zijn we dus duidelijk in staat een verschillende waarde toe te kennen aan een origineel kunstwerk en de vervalsing daarvan. Volgens Eliot kunnen we dit onderscheid echter ook handhaven wanneer het over de natuur of over het landschap gaat. Door de vergelijking te maken met de kunst, kan volgens Elliot beargumenteerd worden dat een door de mens geconstrueerd stuk natuur minder waardevol is dan een stukje ˈechteˈ natuur.

Om dit te staven, gaat Eliot op zoek naar wat het nu precies is dat maakt dat wij een origineel werk hoger waarderen dan de kopie ervan. Volgens Eliot heeft dit te maken met de specifieke genese en geschiedenis van het origineel. Wanneer we meer weten over de ontstaansgeschiedenis van een bepaald werk, beïnvloedt dit onvermijdelijk de waarde die we hieraan hechten. Ook bij onze waardering van een landschap kan het ontstaan en de geschiedenis van dit specifieke landschap een rol spelen in onze waardering van dit landschap. De wetenschap dat een bijzonder landschap het product is van de werking van de natuur, zonder dat dit landschap door de mens werd beïnvloed, kan gepaard gaan met een bijzondere waardering van dit landschap.

Maar wat indien we in staat zouden zijn een exacte kopie te maken van een stukje natuur, een stukje ˈfake natureˈ dat niet van echt te onderscheiden valt? Ook hier is volgens Eliot een vergelijking tussen originele en vervalste kunst bruikbaar. Ook in de kunst kan de vervalsing soms slechts opgemerkt worden door een zeer geoefend oog. De reden waarom een vervalst stuk natuur dan minder waard zou zijn dan het origineel, ligt dan in het feit dat een geoefend oog eventueel het verschil zou kunnen zien.

Tot slot

Hoewel kunst en natuur traditioneel nogal makkelijk tegenover elkaar geplaatst worden, blijkt dus dat er toch wat raakvlakken tussen beiden te vinden zijn. In dit artikel gingen we vooral in op de vraag hoe bepaalde ideeën uit de kunstfilosofie waardevol kunnen zijn in het denken over de waarde van de natuur. Misschien is het dan ook wel jammer dat de lessen esthetica op school doorgaans beperkt blijven tot een lesje kunstgeschiedenis. Het zou misschien zelfs relevanter zijn met jongeren te reflecteren over de vragen wat schoonheid en de waarde van die schoonheid precies zijn. Misschien komen we dan in de buurt van wat filosofen beogen wanneer ze de idee verdedigen dat we door de gevoeligheid voor kunst ook gevoelig gemaakt kunnen worden voor de (esthetische) waarde van de natuur.

Dit artikel verscheen eerder in Peper

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

Paris, je (ne) t’aime (pas)

Enkele maanden geleden lanceerde het Vlaams-Nederlands huis deBuren een zeer aanlokkelijke oproep: jonge schrijvers die zin hadden om twee weken lang in Parijs te vertoeven en daar vervolgens op literaire wijze over te reflecteren mochten zich kandidaat stellen voor een residentie die zou doorgaan tijdens de eerste twee weken van juli. Een Peperredacteur diende haar kandidatuur in en werd, samen met negentien andere jongeren, uitverkoren.

Wie door de biografieën van de deelnemerslijst van de Parijsdelegatie bladert, merkt meteen een grote verscheidenheid op. Het merendeel van de deelnemers zijn journalisten, waarvan het grootste deel schrijft voor De Groene Amsterdammer of hard/hoofd. Daarnaast hebben we nog een radiomaakster en een fotografe in het gezelschap, zijn er enkelen die fictie schrijven en zijn er ook nog wat die de grenzen tussen de genres wat willen aftasten.

Zo verscheiden als de deelnemers zijn ook de plannen waarmee we naar Parijs zijn gekomen. Sommigen hebben op voorhand al uitgebreid nagedacht over wat ze in Parijs willen doen, hebben afspraken gemaakt voor interviews of een lijstje gemaakt met de restaurants die zeker bezocht moeten worden. Ik heb geen plan, wil gewoon de stad op mij laten inwerken en de inspiratie vanzelf laten komen.

Al op dag één leer ik enkele belangrijke lessen. Mijn voornemen om Parijs per fiets te verkennen, blijkt neer te komen op het voornemen zo snel mogelijk in het ziekenhuis te belanden: deze stad is gemaakt op maat van koning auto. Op dag twee wordt de fiets dus ingeruild voor de metro. Dat het ecologisch denken nog niet helemaal is doorgedrongen tot de Franse hoofdstad, blijkt bovendien uit het aanbod vegetarische gerechten in de Parijse restaurants, dat zo goed als onbestaande is. Een voordeel is dan weer wel dat je bij je eten steeds gratis een karafje kraantjeswater krijgt geserveerd. Een gewoonte die wat mij betreft meteen naar België geëxporteerd zou mogen worden.

Parijs als illusie

Om ons van de nodige inspiratie te voorzien, hebben de mensen van deBuren voor ons enkele ontmoetingen geregeld met interessante mensen die op de één of de andere manier een band hebben met Parijs. Op de eerste avond is een ontmoeting geregeld met schrijver en historicus David Van Reybrouck, die het heeft over de illusie die Parijs geworden is. Parijs is, zo stelt hij, in het verleden blijven hangen en probeert dit verleden krampachtig vast te houden. In tijden van globalisering en schaalvergroting, plooien de regio’s ook in Frankrijk steeds meer op zichzelf terug. Parijs, dat lang het centrum van het land was, verliest stilaan macht, doordat de verschillende Franse regio’s autonomer worden en meer de eigen identiteit willen beklemtonen. Parijs houdt echter de illusie hoog nog steeds de culturele hoofdstad te zijn, maar te tijd dat de avant-garde kunstenaars Parijs uitkozen om te leven en werken, blijkt voorbij. In plaats van de progressieve en revolutionaire stad die ze in het verleden was, heeft Parijs vandaag uitgesproken conservatieve trekken, denk maar aan de massale betogingen tegen het homohuwelijk die er recent plaatsvonden.

Ook schrijver Adriaan Van Dis heeft het, wanneer hij twee dagen later met ons in gesprek gaat, over de illusie die de blanke, rijke elite van Parijs in stand tracht te houden. Parijs is een zeer multiculturele stad, zo kon Van Dis ervaren, maar de verschillende etnische gemeenschappen leven er naast elkaar. De Parijse elite ontkent de realiteit van wat zich afspeelt in de banlieues: de problemen en de rellen daar worden in de media zo goed als doodgezwegen. C’est pas Paris, zegt men en daarmee is de kous af.

De stadsmuren van Parijs

Na een week Parijs krijgen de eerste ideeën in mijn hoofd langzaam vorm. In het museum van de kunst en geschiedenis van het Jodendom staat een kunstwerk van Sophie Calle, L’Erouv de Jérusalem’ waardoor ik een intrigerend stukje Joodse cultuur meekrijg. Het is Joden verboden, zo leer ik, om tijdens de Sabbat voorwerpen van privaat naar publiek domein te dragen, maar deze regel geldt niet binnen een ommuurde stad, omdat deze geldt als privaat domein. Omdat steden vandaag de dag niet langer ommuurd zijn, wordt er een draad rond de stad gespannen, de zogenaamde ‘Eruv’, die een soort van virtuele muur vormt, zodat een stuk stad waarrond een Eruv gespannen is, als ommuurd geldt. Dit idee zet mij, mede gevoed door de verhalen die David Van Reybrouck en Adriaan Van Dis vertelden, op het spoor om voor het verhaal dat ik hier geacht wordt te schrijven rond het idee van een muur te werken: de virtuele muur die hier tussen de verschillende gemeenschappen loopt, de stukken stadsmuur die nog her en der in de stad terug te vinden zijn en die het bijzondere verhaal van Parijs vertellen: de stadsmuur van Parijs was immers niet enkel bedoeld om vijandelijke troepen buiten de stad te houden, de stadsmuur was evengoed bedoeld om de Parijzenaars onder controle te houden. Parijs kent een geschiedenis van revoluties en de stadsmuren werden evengoed gebruikt door het Franse machthebbers om de opstandige Parijzenaars in de gaten en in toom te houden. Het roept de vraag op wie door een muur beschermd dient te worden: wie zich binnen of wie zich buiten de muren bevindt.

Parijs onder de oppervlakte

Wanneer de tweede week ingaat, is er een derde ontmoeting gepland, ditmaal met architect en stedenbouwkundige Pieter Uyttenhove, die ons vergast op een associatieve lezing waarin de dood van Lady Di gekoppeld wordt aan de stedenbouwkundige geschiedenis van Parijs. Voor de meesten onder ons is zijn uiteenzetting net iets té associatief, maar we komen toch weer enkele bijzonderheden over deze stad te weten, zoals het feit dat het zuidelijke deel van Parijs, zoals de plek waar we verblijven, in vroeger tijden een steengroeve was, waardoor in de ondergrond een heel gangenstelsel te vinden is. In theorie is het gangenstelsel verboden terrein, maar in de praktijk blijkt het gebruikt te worden door jongeren die er feestjes organiseren, satanisten die er zwarte missen houden en ander fraais. Net als bij de andere twee gesprekken blijkt ook hier weer dat de interessantste kant van Parijs zich niet aan de oppervlakte bevindt. Laat dat dan de conclusie zijn van twee weken wonen en werken in de Franse hoofdstad: dat datgene wat de Parijzenaars zelf hardnekkig trachten verborgen te houden, misschien wel het hart van deze stad zou kunnen zijn.

Dit artikel werd geschreven naar aanleiding van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre en verscheen in Peper

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

Marktisme (What’s in a name?)

Ze waren niet meer te tellen, de artikels die op de redactie van het tijdschrift ʻStrevenʼ aangeboden werden en die allemaal draaiden rond dezelfde thema’s: vermarkting, commercialisering, kwantificering, neoliberalisme of hoe men het noemen wil. Bij de redactie ontstond zo het idee een aantal van deze artikels te bundelen tot een boek, dat de titel ʻMarktisme. Kritiek op het berekenende samenlevingʼ meekreeg.

Over de titel waren ze het blijkbaar niet meteen eens. Want wat betekent de term ʻmarktismeʼ immers? Het woord werd een paar jaar geleden gelanceerd door de Nederlandse socioloog Abram De Swaan, maar is nog geen gemeengoed. Toch vat de term, volgens filosoof Guido Vanheeswijck, de in de verschillende artikels waaruit dit boek bestaat beschreven situatie treffend samen: net als vele andere -ismen verwijst marktisme namelijk naar een bepaald ideologisch kader met totalitaire trekken.

Marktisme als totalitarisme

Het artikel waarin Van Heeswijck een analyse maakt van het totalitaire karakter van het marktisme, is dan ook één van de eersten die in de bundeling zijn opgenomen. Om zijn stelling dat het marktisme beschouwd kan worden als een totalitarisme, valt Van Heeswijck terug op de omschrijving die de bekende filosofe Hannah Arendt in het standaardwerk ʻThe Origins of Totalitarianismʼ van het begrip totalitarisme geeft en de toepassing van dit begrip op het nazisme en het communisme. Toch zijn er al meteen twee belangrijke verschillen die hij opmerkt en die het marktisme onderscheiden van de twee andere doctrines.

In de eerste plaats propageert het marktisme, in tegenstelling tot nazisme of communisme, geen inhoudelijk project: het predikt geen politieke of economische revolutie en viseert geen ras als inferieur of verderfelijk. Een tweede belangrijk verschil bestaat in het feit dat het marktisme geen gezicht heeft: er is geen leider, geen persoon die het belichaamt. Het totalitaire van het marktisme toont zich daarom op paradoxale wijze: er is machtsuitoefening, maar geen machtsconcentratie in één individu. In een ander artikel dat in de bundeling is opgenomen maakt schrijver en filosoof Greg Houwer een gelijkaardige bedenking: macht is, zo stelt hij, van alle tijden, maar waar ze vroeger zichtbaar en identificeerbaar was, heeft ze nu een veel onzichtbaarder en meer alomtegenwoordig karakter. Het marktdenken is immers tot in alle geledingen van onze samenleving doorgedrongen en heeft met haar nuts- en winstmaximaliserende logica overal een onzichtbare hand in. De identificeerbare macht, in de vorm van ministers of staatsleiders, is hierdoor, volgens Houwer, misschien wel machtelozer geworden dan ooit tevoren.

Newspeak

Het marktisme mag dus wel ongrijpbaar zijn, juist daarom dringt het makkelijk tot alles door. Socioloog Walter Weyns vergelijkt het begrip dan ook met lucht: je moet al bijna onder een stolp leven om te vermijden het in te ademen. En wie het inademt raakt al snel licht geïntoxiceerd en ziet de wereld op zijn kop. Het marktisme draait immers de betekenis van waarden en woorden om. Het hanteert een vorm van ʻnewspeakʼ, een term die gelanceerd werd in George Orwells bekende dystopische roman ʻ1984ʼ. Orwell beschrijft de term als een taal die uitgedacht is om te voorzien in de ʻbehoeften van de ideologieʼ, een taal op maat van techneuten en experten, die geen ruimte voor reflectie laat.

Dat het marktisme al diep in onze cultuur is doorgedrongen, valt dan ook te merken aan ons taalgebruik, omdat de betekenis van woorden steeds meer verengt tot de economische betekenis. Zoals theatermaker Stijn Devillé in zijn theatertekst ʻHebzuchtʼ opmerkt, verliezen woorden als ʻzorgʼ, ʻvertrouwenʼ, ʻdelenʼ of ʻhoudenʼ hun betekenis, omdat ze nog slechts klinken als ʻconcernʼ, ʻtrustʼ, ʻshareʼ of ʻholdingʼ.

Onderwijs en de markt

Dat het marktisme op allerlei maatschappelijke domeinen aanwezig is, blijkt onder andere in het onderwijs. Een aantal artikels in het boek behandelen dan ook specifiek de vraag in welke mate de toegenomen drang tot kwantificering en het toegenomen marktdenken nefast zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. Jong Groen wijdde hier vorig jaar al eens een debat aan, waarin o.a. VDAB-topman Fons Leroy en minister van Onderwijs Pascal Smet de vraag kregen voorgelegd in welke mate onderwijs zich op de markt moet richten. De laatste jaren werden immers allerlei ideeën gelanceerd die suggereren dat onderwijs exclusief de taak heeft mensen voor te bereiden op een plek op de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld het voorstel om de inschrijvingsgelden van opleidingen waar op de arbeidsmarkt weinig vraag naar is fors op te trekken en deze van door de arbeidsmarkt gegeerde opleidingen zeer laag te maken.

Maar ook op allerlei andere vlakken komt het onderwijs steeds meer onder druk van ʻde marktʼ te staan. Zo zet Walter Weyns bijvoorbeeld vraagtekens bij het zogenaamde ʻflexibele studerenʼ, dat in plaats van ervoor te zorgen dat studenten zich ten volle op hun studie zouden kunnen richten maakt dat studenten net voortdurend worden afgeleid door allerlei bureaucratische regels. Aan de kant van de leerkracht merkt leraar Frank Saenen in zijn artikel dan weer op dat de onderwijsinspectie leerkrachten meer en meer dwingt tot standaardisering van het lesgeven en dat de individuele invulling van het vak en de eigenheid van de individuele leerkracht steeds meer naar de achtergrond verdwijnen. En er is de algemene bemerking van filologe Rosine Van Oost dat, zoals ook filosofe Martha Nussbaum in ʻNot for Profitʼ opmerkt, de arbeidsmarktgerichtheid van het onderwijs ten koste gaat van het onderwijs in de kunsten en geesteswetenschappen, die nochtans een bijzondere eigen bedrage leveren aan de ontwikkeling van het individu.

Complex, warrig, ongrijpbaar

De reikwijdte van de verschillende artikels die alleen al over onderwijs gaan, geven aan dat het boek zeer breed is opgebouwd. Net daarom is het moeilijk om het marktisme echt precies te omschrijven. Voor de samenstellers was het formuleren van een precies antwoord op de vraag wat het marktisme nu precies is dan ook niet het hoofddoel: het marktisme is immers complex, warrig en ongrijpbaar. In plaats daarvan kozen ze ervoor een aantal verschillende artikels samen te brengen die aangeven wat er in allerlei verschillende domeinen aan de gang is, zoals in de politiek, het onderwijs, sport, cultuur en gezondheidszorg. In plaats van een exacte definitie krijgt de lezer dus een hele waaier aan ideeën en observaties aangeboden, die hij zelf bij elkaar moet zien te puzzelen en wordt hij uitgenodigd zich zelf een gefundeerde mening te vormen over de beschreven problematiek. Wie zich een beeld wil vormen hoe het marktisme concreet in ons leven ingrijpt, is bij deze dus uitgenodigd het boek zelf eens ter hand te nemen. 

 

Dit artikel verscheen eerder in Peper

1 reactie

Opgeslagen onder Peper / Vlam

In een mens

71 is hij inmiddels, maar nog steeds verontwaardigd. De Amerikaanse schrijver John Irving kan ontsteken in een driftige uiteenzetting als je hem vraagt naar zijn mening over de intolerantie in Amerika omtrent mensen met een seksuele voorkeur die niet aan de zogenaamde norm beantwoordt. Het is die verontwaardiging die Irving ertoe bracht zijn recentste roman ‘In One Person’ (in het Nederlands vertaald als ‘In een mens’) te schrijven.

Het is niet voor het eerst dat Irving in een roman afrekent met seksuele onverdraagzaamheid. Ook in ‘The World According To Garp’ (in het Nederlands ‘De wereld volgens Garp’), de roman die Irving in 1978 zijn grote doorbraak bezorgde, speelt deze thematiek een bijzondere rol. Toch voelde Irving zich, door het blijvende haatdragende discours van sociaal-conservatieve groeperingen in de Verenigde Staten, genoodzaakt het thema opnieuw een prominente plek te geven in een roman. Irving beschouwt ‘In One Person’ dan ook als zijn meest politieke roman sinds ‘The World According To Garp’. Wanneer Irving over zijn recentste roman praat, pleit hij vurig voor tolerantie. Al heeft die tolerantie duidelijke grenzen. Als we dan toch intolerant moeten zijn, stelt Irving, laten we het dan zijn tegenover intolerantie.

Tot zover het promopraatje. In interviews een betoog houden over seksuele (in)tolerantie is één zaak, het thema uitwerken in een roman een andere. De vraag is dus of Irving erin slaagt zijn kritiek te verwerken tot een interessante roman. Niet geheel, zo blijkt.

Literatuur, theater en identiteit 

‘In One Person’ vertelt via het tragikomische levensverhaal van een biseksuele schrijver een recente geschiedenis van Amerika. Een groot deel van het verhaal wordt ingenomen door de schooltijd van het hoofdpersonage en de eerste seksuele verlangens die in die tijd voor het eerst de kop opsteken. Het is in die periode dat bij het hoofdpersonage, Billy, de liefde voor de literatuur en het theater ontstaan. Wat betreft de literatuur heeft Billy alvast twee uitstekende gidsen: zijn stiefvader met een voorliefde voor Shakespeare en Miss Frost, de mysterieuze bibliothecaresse die Billy meteen in vuur en vlam zet. De literatuur speelt in Billy’s ontwikkeling dan ook een belangrijke rol: doordat Miss Frost Billy steeds de juiste boeken in de handen weet te duwen, vindt Billy in de verhalen die hij leest vaak antwoorden op de problemen waar hij zelf mee worstelt. Doordat hij zijn eigen gevoelens en problemen ziet terugkeren in wat hij leest, krijgt ook zijn eigen identiteit vorm. Meer nog dan een roman over seksuele tolerantie is ‘In One Person’ misschien wel te lezen als een liefdesbrief aan de literatuur. De literatuur, zo lijkt Irving te zeggen, kan ons op het soms warrige en moeizame levenspad vergezellen en daarbij af en toe tot steun of hulpmiddel zijn door licht te werpen wanneer het pad door het donker gaat.

Eenzelfde rol lijkt Irving toe te bedelen aan het theater, wat al duidelijk wordt in de titel van de roman zelf. In één mens zitten vaak verschillende personen samen, iemands identiteit is nooit eenduidig. Niet alleen wanneer we Ibsen of Shakespeare op de planken brengen, spelen we theater, maar de hele wereld blijkt een schouwtoneel. De rol die we spelen hangt steeds af van de context. Het theater blijkt ook de uitgelezen plek om te reflecteren over de samenhang tussen onze genderrol en identiteit. Irving grijpt hiervoor terug naar de traditie in het theater waarbij alle rollen door mannen werden vertolkt. In Shakespeares komedies levert dit vaak een interessant spel op, wanneer bijvoorbeeld in ‘As You Like It’ vrouwen zich als mannen verkleden. Wanneer die vrouwen in Shakespeares stukken vervolgens door mannelijke acteurs worden gespeeld, biedt dit meteen een leuke inkijk in het belang van gender voor onze identiteit. Irving speelt op deze mogelijkheid in via het personage van Billy’s grootvader, steracteur bij de lokale amateurtheatervereniging, al bestaat zijn repertoire louter uit vrouwenrollen. Vrouwenrollen spelen in het theater, wat Irving ook doortrekt naar het fenomeen van de drag queens, is de uitgelezen manier om, via het aannemen van een andere genderrol, een deel van de identiteit te ontwikkelen die anders onontgonnen terrein zou blijven. Dat geldt uiteraard niet enkel voor genderrollen. Op allerlei vlakken blijkt het theater een veilige plek waar je naar hartelust met identiteit kan experimenteren.

Een plotwendig te veel

De manier waarop Irving de betekenis van literatuur en theater voor de vorming van een identiteit aftast, bieden bijgevolg een interessante basis voor een reflectie over persoonlijkheid en de ontwikkeling daarvan. Het is echter bij het aanraken van het thema van de seksuele diversiteit dat Irving wat de mist ingaat. Bijna ieder personage dat een rol van betekenis speelt in de roman heeft homo- of transseksuele neigingen. Hierdoor verliest Irvings verhaal geloofwaardigheid. Ook de suggestie dat Billy zijn biseksualiteit geërfd heeft van zijn homoseksuele vader en graag in vrouwenkleren vertoevende grootvader, klinkt geforceerd. Irving lijkt zich met ‘In One Person’ dus bezondigd te hebben aan het principe dat overdaad soms schaadt. Bij de zoveelste plotwending waaruit blijkt dat een bepaald personage minder aan de seksuele norm beantwoordt dan eerst werd gesuggereerd, wordt het moeilijk om als lezer in het verhaal mee te blijven stappen.

Irving levert met ‘In One Person’ dus een roman af die de lezer uitnodigt tot reflectie over zowel identiteit als normaliteit. Verhaaltechnisch heeft de roman echter een aantal mankementen. Hoewel ‘In One Person’ vlot geschreven is en ondanks de overdreven veelheid aan plotwendingen aangenaam leesvoer blijft, vormt het boek niet meteen de beste kennismaking met het werk van John Irving. Wie toch graag eens een boek van hem ter hand zou nemen en geïnteresseerd is in de problematiek die in ‘In One Person’ wordt aangekaart, kan beter bij ‘The World According To Garp’ beginnen.

Dit artikel verscheen eerder in Peper

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

McDonaldisering. Hoe de principes van de fastfoodindustrie de wereld domineren

‘The McDonaldization of Society.’ De titel die George Ritzer in 1993 aan zijn boek gaf, is, ook twintig jaar na het verschijnen van de eerste druk van het boek, nog steeds actueel. Ritzer zelf toonde dat aan door in de loop der jaren een aantal herwerkte versies van zijn boek te publiceren waarbij hij inging op nieuwe tendensen en actuele discussies. Ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van het boek in 2013, ligt momenteel alweer een nieuwe versie in de winkel. Reden genoeg om de theorie van de McDonaldisering eens tegen het licht te houden en ons af te vragen of de gevolgen van de McDonaldisering in ons dagelijks leven merkbaar zijn.

Ritzers these komt uiteraard niet zomaar uit de lucht gevallen. Wanneer hij de kenmerken van McDonaldisering in zijn boek uitgebreid onderzoekt, valt hij hiervoor terug op de analyse die de bekende socioloog Max Weber in het begin van de twintigste eeuw over de moderne samenleving maakte. Kort samengevat beschrijft Weber die samenleving als het gevolg van twee processen. In eerste instantie vond er een proces van autonomisering plaats: allerlei maatschappelijke domeinen (recht, wetenschap, kunst, politiek …) kwamen los te staan van hun oorspronkelijk religieuze kern. Niet langer moesten die verschillende maatschappelijke domeinen zichzelf legitimeren door in overeenstemming te zijn met het christelijke geloof of de Bijbel, zoals in de middeleeuwen, maar moesten die verschillende domeinen elk hun eigen rationaliteit gaan ontwikkelen die hun bestaan tegenover andere domeinen legitimeert.

In tweede instantie vond er echter ook een proces van rationalisering plaats waarbij de economische rationaliteit zich begon op te dringen aan de andere maatschappelijke domeinen. De gevolgen van die rationalisering zijn vandaag de dag zodanig in onze samenleving doorgedrongen dat ze voor veel mensen de evidentie zelve is geworden. Het is dan ook net bij dit proces van rationalisering dat George Ritzer aanknoopt wanneer hij zijn these van de McDonaldisering uitwerkt.

Efficiëntie

Centraal in de analyse van zowel Weber als Ritzer staan vier kenmerken die we terugvinden in gerationaliseerde of geMcDonaldiseerde systemen. Een eerste kenmerk is efficiëntie, wat waarschijnlijk het best te illustreren is aan de hand van het idee van de lopende band. In het begin van de 20ste eeuw kwamen fabriekseigenaren tot de vaststelling dat het efficiënter is een bepaalde handeling op te spitsen in kleinere deelhandelingen en deze verschillende deelhandelingen door hun arbeiders te laten uitvoeren. Er rollen met andere woorden op het einde van de dag veel meer afgewerkte producten de fabriek uit wanneer arbeiders een eenvoudige, repetitieve handeling uitvoeren dan wanneer één arbeider in zijn eentje verantwoordelijk is voor het gehele product. Fastfoodrestaurants volgen dezelfde procedure: het bereiden van de maaltijden wordt opgesplitst in kleine deelhandelingen, waardoor ze in een minimum van tijd klaar zijn.

Toch mag duidelijk zijn dat niet enkel fastfoodrestaurants hiervan gebruik maken. Het volgen van gestroomlijnde procedures om werk sneller vooruit te laten gaan, vinden we zowat overal terug. Een gevolg hiervan is dat mensen uiteindelijk niet meer zelf op zoek gaan naar de beste manier om een bepaald doel te bereiken, maar simpelweg de geïnstitutionaliseerde weg volgen. Een ander, belangrijk gevolg is dat mensen binnen zo’n setting gereduceerd worden tot machines. Een hele dag lang eenzelfde, repetitieve handeling uitvoeren is niet bepaald de definitie van een boeiende, uitdagende job. Dat er bijgevolg een groot verloop is van personeel omdat velen het niet lang volhouden, is dan ook een inefficiëntie die voortkomt uit een teveel aan efficiëntie.

Berekenbaarheid

McDonaldisering brengt ook berekening met zich mee: alle aspecten binnen een productieproces moeten zo veel mogelijk gekwantificeerd worden. Kwantiteit wordt op die manier synoniem voor kwaliteit. In een fastfoodrestaurant uit zich dat zowel in de snelheid waarbinnen een maaltijd geserveerd wordt als in de grootte van de maaltijden (’Bigger is better’). In de rest van de samenleving vinden we het gelijkstellen van kwantiteit aan kwaliteit terug in allerlei rankings of puntensystemen. Zo wordt de kwaliteit van een universiteit gelijkgesteld aan zijn plaats op de ranglijst van universiteiten en wordt de kwaliteit van een film, boek of theatervoorstelling vaak gereduceerd tot de toekenning van een aantal sterren in de krant.

Interessant is ook dat Ritzer laat zien welke invloed televisie heeft op de toegenomen berekenbaarheid in de politiek. Een politieke speech moet binnen de reclameblokken op tv passen en mag vooral niet te lang duren. Ritzer beschrijft de evolutie van de Lincoln-Douglas-debatten uit 1858, waarin de presidentskandidaten elk negentig minuten praatten over één enkel onderwerp, naar de hedendaagse politieke debatten waarin politici één of twee minuten krijgen om hun standpunt duidelijk te maken.

Voorspelbaarheid

Een schijnbaar contradictorisch kenmerk van de McDonalidisering is voorspelbaarheid. De consument lijkt zich comfortabel te voelen bij de gedachte dat de bediening en de producten in een bepaalde keten altijd en overal dezelfde zullen zijn. Wie vandaag een bepaalde hamburger koopt, weet dat, wanneer hij morgen dezelfde hamburger bestelt, deze hetzelfde zal smaken. Net zoals hij weet dat dit ook het geval zal zijn wanneer hij diezelfde hamburger in een ander restaurant van dezelfde keten zal eten. Het paradoxale aan dit idee is dat het suggereert dat mensen op zoek zijn naar iets dat weinig verrassingen biedt, en dit terwijl we in een cultuur leven die bijzonder veel belang hecht aan individualiteit. Wie veel tijd doorbrengt in geMcDonaldiseerde systemen zou het vermoeden kunnen krijgen dat zijn leven is zoals dat van het hoofdpersonage in de film ‘The Truman Show’: alle andere personages spelen maar een rol, volgen louter het vooropgestelde script. Zowat elke zin van een kassamedewerker in een fastfoodrestaurant, is een voorgeschreven zin, die de interactie tussen klant en personeel in grote mate voorspelbaar maakt.

Die voorspelbaarheid vinden we ook terug in de cultuurindustrie: van Hollywoodfilm tot populaire muziek, veel producten die gemaakt worden als entertainment zijn in grote mate voorspelbaar. Op eenzelfde manier is er ook sprake van een vakantie-industrie, met als makkelijkste voorbeelden de cruises of vakantiedorpen. Men brengt de vakantie ver van huis door, zonder dat men last heeft van eventuele ongemakken die daarmee gepaard kunnen gaan: het eten is er immers net als thuis en men zit veilig afgeschermd van de dagelijkse realiteit van het land waarin men op vakantie gaat. Frappant is ook dat sinds de komst van de tv een aantal spelregels bij bepaalde sporten werden aangepast om het spelverloop voorspelbaarder en dus makkelijker uitzendbaar op tv te maken.

Controle

Een laatste, belangrijk aspect van rationalisering of McDonaldisering is controle. Die controle is erop gericht dat zowel bezoekers als personeel zich voorspelbaar gedragen. Hiervoor wordt vaak gebruik gemaakt van niet-menselijke technologie, dit is technologie die mensen controleert in plaats van door mensen gecontroleerd te worden. Een bron van onzekerheid, onvoorspelbaarheid en inefficiëntie in een gerationaliseerd systeem, is namelijk dat we te maken hebben met mensen. Bijgevolg worden er allerhande ingrepen gedaan om controle over die mensen te verkrijgen. Dit kan eenvoudigweg door menselijk gedrag te reduceren tot machinale handelingen, zoals we zagen in het voorbeeld van de lopende band. Maar evengoed kan het gedrag van de klant gecontroleerd worden door gebruik te maken van keuzemenu’s of vooropgestelde procedures.

De irrationaliteit van rationaliteit

Naast de hierboven beschreven kenmerken, is er sprake van een vijfde element dat niet alleen een eigenschap van rationalisering, maar tegelijkertijd ook het gevolg van die rationalisering is. Gerationaliseerde of geMcDonaldiseerde systemen brengen immers ook een hoop irrationaliteiten met zich mee. De belangrijkste van die irrationaliteiten is ontmenselijking. GeMcDonaldiseerde systemen reduceren de mens tot een machine en ontkennen de menselijke rede van personeel en klanten. Hierbij kan opnieuw verwezen worden naar het opdelen van een handeling in kleinere deelhandelingen die repetitief herhaald moeten worden, maar evengoed naar de verschillende manieren waarop het gedrag van zowel personeel als klanten gecontroleerd en gemanipuleerd worden. Andere voorbeelden van irrationaliteiten die het gevolg zijn van rationalisering, is dat er een hoop inefficiënties voortkomen uit een streven naar efficiëntie. Zo zorgt het Japanse just-in-time-systeem (onderdelen worden exact op het moment geleverd waarop ze in het productieproces nodig zijn) ervoor dat trucks op zowat elk moment van de dag de baan op moeten, met fileproblemen als gevolg. Een ander bekend voorbeeld is de associatie van bepaalde ziekten zoals salmonella met de standaardisering van de voedingsindustrie.

Omgaan met McDonaldisering

Rest de vraag natuurlijk of de McDonaldisering werkelijk tot in elke vezel van onze samenleving is doorgedrongen. Het geruststellende antwoord is dat dit niet het geval is. Naast de organisaties die aan de McDonaldisering ontsnapt zijn, ontstaan er ook nieuwe initiatieven die een tegenbeweging zijn gaan vormen. Voorbeelden hiervan zijn kleinschalige bed & breakfasts (als reactie op de geMcDonaldiseerde hotelketens) of de slowfood-beweging waarbij opnieuw traditionele, lokale en kwalitatieve voeding centraal staat.

Ook het internet geeft ons mogelijkheden om aan de McDonaldisering te ontsnappen. In de virtuele wereld is er immers een tendens om van provider-generated content meer en meer over te gaan naar user-generated content. Op allerlei vlakken is user-generated content veel onvoorspelbaarder, onberekenbaarder, oncontroleerbaarder en minder efficiënt dan de eerder geMcDonaldiseerde provider-generated content. Als deze tendens zich ook buiten het wereldwijde web doorzet, is het proces van ontMcDonaldisering misschien ingezet. Dit zou geen slechte zaak zijn, want als de wereld minder geMcDonaldiseerd zou zijn, zouden mensen beter in staat zijn hun menselijke potentie te verwezenlijken. McDonaldisering heeft immers veel mogelijk gemaakt wat voordien niet mogelijk was, maar weerhoudt ons er ook van dingen te doen die we anders wel zouden doen.

Dit artikel verscheen eerder in Peper

1 reactie

Opgeslagen onder Peper / Vlam

Vragen bij de groei

Terwijl je dit leest, zijn regeringen op verschillende plekken van de wereld waarschijnlijk bezig met ‘het aanpakken van de crisis’, ‘het veiligstellen van de welvaart’ of ‘het bevorderen van de economische groei’. Tegelijkertijd wordt de gelijkstelling van welvaart met economische groei steeds meer in vraag gesteld. Waar komt die grote nadruk op economische groei eigenlijk vandaan? En staren we ons soms niet blind op die groei zonder ons verder af te vragen waartoe die zou moeten dienen?

Economische groei?

De eerste vraag is uiteraard wat we precies bedoelen wanneer we het hebben over economische groei. Een land kent economische groei wanneer er een toename is van het Bruto Binnenlands Product. Dit komt neer op een toename van de geruilde geldhoeveelheid of, om het anders te stellen, de hoeveelheid van de in de loop van een jaar geruilde en verkochte goederen. Een belangrijke reden om te focussen op economische groei, is dat we momenteel leven in een economisch en monetair systeem dat groei vereist. Het hele financiële systeem waarbij leningen worden aangegaan die later met rente worden terugbetaald, gaat namelijk uit van het idee dat men het in de toekomst beter zal hebben, dat men ‘vooruitgang’ zal boeken, dat de welvaart toe zal nemen.

Inmiddels leven we in een tijdsgewricht waarin de overtuiging overheerst dat de groei geen einde kent en oneindig door kan gaan. Naast de optimistische visie op de toekomst die dit beeld schenkt (omdat we er vanuit gaan in de toekomst steeds welvarender te worden), sust het idee van een ongelimiteerde groei ook ons geweten. Als de groei niet onbeperkt is, zullen de armste economieën op aarde nooit de op consumptie gebaseerde levensstijl bereiken waarvan de bevolking in de geïndustrialiseerde wereld geniet. Een wereld waarin alle landen eenzelfde welvaart genieten, lijkt onmogelijk wanneer er grenzen zijn aan de groei.

Een korte terugblik

De idee van onbeperkte economische groei is echter niet vanzelfsprekend. Economische filosofen uit de 18e en 19e eeuw, zoals Thomas Robert Malthus, Adam Smith en John Stuart Mill, hadden een zeker vermoeden van natuurlijke grenzen en voorzagen uiteindelijk een einde van de economische groei. In hun visie bestonden de essentiële bestanddelen van de economie uit land, arbeid en kapitaal. De aarde telt nu eenmaal een beperkte hoeveelheid land (waarbij land als containerbegrip voor alle natuurlijke hulpbronnen fungeerde), waardoor groei op zeker moment wel tot stilstand moest komen. In de loop van de geschiedenis ging men de factor ‘land’ echter als onderdeel van de factor ‘kapitaal’ beschouwen, wat erop neer komt dat men de natuur slechts als een onderdeel van de menselijke economie ging beschouwen. Men zag de natuur als een eindeloze berg natuurlijke hulpbronnen, die tot rijkdom dienden te worden omgevormd. Ook betekende deze visie dat natuurlijke hulpbronnen altijd door een andere vorm van kapitaal (geld of technologie) vervangen konden worden. Deze gehele redenering is steeds moeilijker vol te houden. Natuurlijke hulpbronnen raken langzaamaan uitgeput en milieuschade wordt niet ingecalculeerd in de kostprijs van de goederen die op de markt verschijnen. Langzaamaan groeit het besef dat de natuur niet ‘gratis’ is.

Daarnaast komt de idee van voortdurende economische groei ook voort uit het vooruitgangsdenken dat de westerse wereld sinds de Verlichting beheerst. De idee dat de ‘condition humaine’ ononderbroken verbeterd moest worden, werd in die periode gemeengoed. Gaandeweg werden verbetering en vooruitgang echter gelijkgesteld aan groei in de huidige economische betekenis van het woord. Gaandeweg ontstond bij economen de overtuiging dat permanente groei niet enkel een rationeel, maar ook een haalbaar doel is. Het enige waarover onenigheid lijkt te bestaan, is de manier waarop die groei bereikt dient te worden: door overheidsingrijpen of door zelfregulering van de vrije markt.

Dat er iets mis is met de idee van een voortdurende economische groei, is eenvoudig vast te stellen aan de hand van een kleine rekensom. Wanneer we ervan uitgaan dat de economie elk jaar met het streefdoel van 3% zou toenemen, zou de economie op een paar decennia tijd moeten verveelvoudigen. We kunnen ons de vraag stellen of zo’n verveelvoudiging wel mogelijk en zelfs wenselijk is.

Gelijkheid en verdeling

Naast de vraag of ongelimiteerde economische groei wel mogelijk is, roept de grote focus die overheden leggen op het bevorderen van groei nog een andere vraag op. In welke mate is groei belangrijk voor een samenleving? Lange tijd werd beweerd dat economische groei op termijn altijd het lot van de armen zal verbeteren, zelfs al worden er in dat opzicht geen rechtstreekse maatregelen genomen. Onderzoek van Jean Drèze en Nobelprijswinnaar Amartya Sen heeft inmiddels echter aangetoond dat economische groei niet tot een verbetering van bijvoorbeeld onderwijs of gezondheidszorg leidt. Daarnaast blijkt ook uit een vergelijking tussen China en India over de afgelopen zestig jaar dat India op economisch vlak veel slechter gepresteerd heeft dan China. Toch is India in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een stabiele democratie met beschermde fundamentele vrijheden, wat van China niet gezegd kan worden.

Een belangrijke kritiek op de eenzijdige focus op economische groei, is dat het bbp niets zegt over de dagelijkse realiteit van de bevolking. Maatschappelijke gelijkheid en de verdeling van het nationale inkomen, worden niet weerspiegeld in de cijfers. Het bbp drukt sowieso slechts een gemiddelde uit. Hoe de rijkdom van een land over de inwoners verdeeld is, doet niet ter zake. Een stijging van het bbp maakt dus niet altijd veel verschil voor de levenskwaliteit van mensen en berichten over nationale welvaart vormen waarschijnlijk geen troost voor degenen wier bestaan getekend wordt door ongelijkheid en gebrek. Filosofe Martha Nussbaum geeft in die context het voorbeeld van een Indiase vrouw waarvoor het horen dat het bbp per hoofd van de bevolking gestegen is, net zoiets is als horen dat er zich ergens in het land een prachtig schilderij bevindt, maar dat zij er niet naar kan gaan kijken of dat er ergens een tafel is die vol ligt met heerlijk voedsel, maar waar zij niets van mag hebben.

Doordat het bbp geen rekening houdt met verdeling, kunnen landen waar zich een enorme ongelijkheid voordoet, toch een hoog cijfer krijgen. Dit was bijvoorbeeld het geval voor Zuid-Afrika, dat tijdens de apartheid aan de top stond van de lijst met ontwikkelingslanden. Doordat de bbp-benadering allerlei onderdelen van verschillende levens bij elkaar optelt, kunnen landen met eenzelfde bbp sterk van elkaar verschillen op vlak van gezondheidszorg, openbaar onderwijs en politieke vrijheden en rechten.

Een alternatieve benadering

Aangezien het bbp geen goede maatstaf vormt om de werkelijke stand van zaken van een land te bepalen, is er nood aan een andere manier om streefdoelen voor naties vast te leggen. In plaats van te vertrekken vanuit een cijfer dat een gemiddelde aangeeft, kan er ook gefocust worden op de individuele mensen zelf. Zo verdedigen Martha Nussbaum en Amartya Sen een benadering die vertrekt van een aantal essentiële ‘capabilities’. Deze benadering stelt de vraag wat mensen werkelijk kunnen doen en zijn en over welke reële mogelijkheden mensen werkelijk beschikken.

De capability-benadering beschouwt elke persoon als doel op zich. Dit wil zeggen dat ze niet alleen peilt naar het totale gemiddelde welzijn, maar ook naar de kansen die voor ieder persoon afzonderlijk beschikbaar zijn. Het politieke doel dient binnen deze benadering voor alle mensen hetzelfde te zijn: iedereen dient boven een bepaald drempelniveau van ‘capabilities’ uit te komen. Dit wil echter niet zeggen dat mensen gedwongen worden een bepaalde ‘capability’ uit te voeren, maar dat ze beschikken over werkelijke vrijheid om te kiezen en te handelen. Om dit concreet te maken: de overheid moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat alle mensen die deel uitmaken van de samenleving in staat zijn om bij verkiezingen hun stem uit te brengen. Ze zal er dan ook voor moeten zorgen dat iedereen over de ‘capabilities’ beschikt om dit te doen. Dit is echter niet hetzelfde als mensen dwingen hun stem uit te brengen. De capability-benadering beschermt bijgevolg het pluralisme, omdat mensen niet gedwongen worden bepaalde vermogens uit te oefenen (die bijvoorbeeld in strijd zouden zijn met hun geloofsovertuiging), maar een vrijheidszone hebben.

Omdat de ‘capabilities’ ons wellicht een beter zicht geven op de werkelijke stand van zaken in een land, kan het een welkom alternatief zijn voor de nog steeds dominante bbp-benadering. Hoopvol is in ieder geval dat de capability-benadering momenteel al wordt toegepast in de Human Development Index. De ‘capabilities’ bieden ons streefdoelen om het maatschappelijk welzijn van iedereen in een samenleving te verzekeren. Door de focus op economische groei zou men bijna vergeten dat de economie slechts een middel is om andere doelen te bevorderen. Het ongebreideld scheppen van materiële welvaart mag nooit ons enige doel zijn.

Meer lezen:

Martha Nussbaum – Mogelijkheden scheppen. Een nieuwe benadering van de menselijke ontwikkeling

Rob Heinberg – Einde aan de groei

André Gorz – De markt voorbij. Voor een hedendaagse politieke ecologie

Dit artikel verscheen ook in Peper:

http://www.jonggroen.be/files/_site/bestanden/nieuws/peper/JG142_Peper22_270x210%20web.pdf

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

Wat is vrijheid?

Er is waarschijnlijk geen woord dat binnen onze samenleving zo vaak in de mond genomen wordt als het woord vrijheid. Elke politieke partij lijkt de vrijheid hoog in het vaandel te dragen, maar wanneer we die vrijheid eens nader bekijken, moeten we vaststellen dat de verschillende partijen binnen het politieke spectrum uiteenlopende concepten van vrijheid lijken te verdedigen. Filosofe Alicja Gescinska schreef een boek over de problematiek van de vrijheid waarin ze aantoont dat vrijheid verre van vrijblijvend is.

Dat vrijheid wrange kanten kent, ondervond Alicja Gescinska als kind aan den lijve. In 1988, een paar maanden voor de val van de Muur, vluchtte ze met haar familie weg uit het communistische Polen. Ze kwam als zevenjarig meisje terecht in België, in het Vrije Westen. Al snel moest ze vaststellen dat de vrijheid die in het Westen gepredikt werd, niet de vrijheid was waarop ze gehoopt had. In de vrije wereld wonen, bleek geen garantie te zijn op vrijheid. Pas wanneer ze op latere leeftijd in contact kwam met filosofie en literatuur, kon ze verwoorden wat er schort aan ons alledaagse vrijheidsconcept. Het alternatief ligt voor Gescinska in een andere opvatting van vrijheid, die in de filosofie positieve vrijheid genoemd wordt.

Een cruciaal idee in het betoog van Gescinska is dat je weinig hebt aan vrijheid als je er geen gebruik van kan maken. Ze verwijst hierbij o.a. naar Charles Taylor, die een onderscheid maakt tussen vrijheid als opportunity-concept en vrijheid als exercise-concept. Centraal in dit onderscheid staat de vraag of iemand vrij is om een bepaalde handeling te stellen wanneer hij daar theoretisch de mogelijkheid toe heeft en waarbij het er verder niet toe doet of hij die handeling ook effectief stelt (opportunity) of wanneer de handeling effectief wordt uitgevoerd (excercise).

Een gelijkaardig onderscheid vinden we terug in de concepten negatieve en positieve vrijheid. Negatieve vrijheid is ons alledaagse idee van vrijheid en bestaat uit de afwezigheid van externe inmenging. Positieve vrijheid daarentegen bestaat uit de aanwezigheid van een concreet vermogen om te doen wat je wenst en behoort te doen. De positieve vrijheid maakt duidelijk dat vrijheid geen formele, statische gegevenheid is. Om de vruchten van de vrijheid te plukken, hebben we een concreet handelingsvermogen en een concreet handelen nodig. Vrijheid moet dus veroverd worden: men is niet vrij, men wordt vrij.

In haar boek ontmaskert Gescinska de negatieve vrijheid, die enkel draait om het wegnemen van belemmeringen en beperkingen, als een vrijheid die niet meer dan een lege doos blijkt te zijn, een vrijheid die niet meer is dan een vage of valse belofte van mogelijkheden en kansen. Deze vrijheid is allerminst een garantie voor succes en geluk. In deze vrijheid weet de mens namelijk niet wat te doen, hij is aan zijn lot overgelaten en onmachtig om te doen wat gedaan moet worden. De vrijheid is een last geworden die de mens beangstigt. In de negatieve vrijheid wordt enkel gefocust op het uitbreiden van de theoretische mogelijkheden, zonder daarbij te bekijken in welke mate die verschillende keuzemogelijkheden mensen ook echt vrijer maken.

Dat het uitbreiden van het keuzepalet niet noodzakelijk positief is, maar kan leiden tot keuzestress, blijkt ook uit onderzoek van psycholoog Barry Schwartz. Hij bestudeerde de keuzeparadox aan de hand van een onderzoek waarin studenten een oordeel moesten vormen over welke chocoladesnoepjes de lekkerste waren. De eerste groep studenten kreeg daarbij de keuze uit zes snoepjes, de tweede groep kreeg dertig snoepjes voorgeschoteld. Het resultaat was dat de eerste groep meer tevreden bleek over hun keuze en de smaak van de chocolade en de tweede groep duidelijk moeite had met het overaanbod. Schwartz wijst op een specifieke angst die in rijke, ontwikkelde landen teruggevonden kan worden, namelijk dat een te veel aan keuze een omgekeerd effect kan hebben op onze vrijheid en een overaanbod aan keuzemogelijkheden niet noodzakelijk een betere levenskwaliteit of meer vrijheid betekent.

Om een mens gelukkig te maken is dus meer nodig dan onbeperkte keuzemogelijkheden en de afwezigheid van grenzen, inmenging of restrictie. Negatieve vrijheid is duidelijk niet altijd het cadeau zoals het vaak wordt voorgesteld. Het alternatief voor negatieve vrijheid bestaat er echter niet in de vrijheid aan banden te leggen, maar blijkt simpelweg een andere opvatting over vrijheid te zijn, de positieve vrijheid.

Wat ons kan helpen om die andere opvatting over vrijheid te begrijpen, in het onderscheid dat psychoanalyticus Erich Fromm maakte tussen het negatieve vrij zijn van iets en een positief vrij zijn om iets. Zo kan men bijvoorbeeld vrij zijn van externe inmenging, maar onvrij om een concrete handeling te stellen die mij of een ander gunstig zou zijn. Of om het nog concreter te maken: je zou tegen een analfabeet kunnen zeggen dat hij vrij is om te lezen, niemand legt hem immers iets in de weg of verbiedt het hem een boek te nemen. Het mag duidelijk zijn dat de analfabeet echter niet vrij is om de concrete handeling van het lezen te stellen, want daar is hij simpelweg niet toe in staat.

Het grote probleem van de negatieve vrijheid is dan ook haar morele onverschilligheid. Er wordt weliswaar een ruimte gecreëerd die vrij is van inmenging en beperking, maar wat er binnen die ruimte gebeurt, is onbelangrijk. Volgens de negatieve vrijheidsopvatting heeft bijvoorbeeld ieder kind het recht en de vrijheid om een speelgoedwinkel binnen te gaan, maar dat het ene kind in deze opvatting vrijer blijkt te zijn dan het andere, kon Gescinska zelf ervaren in haar kindertijd.

Wanneer ze na de vlucht uit het communistische Polen in het Vrije Westen terecht gekomen was, bezocht ze op zekere dag samen met haar ouders een speelgoedwinkel. Er ging een wereld voor haar open: waar in het communistische Polen goederen schaars waren en de keuze beperkt, leek ze terecht gekomen te zijn in het paradijs, alles lag voor het grijpen en er was keuze te over. Er was echter één hinderpaal: de ouder van Gescinska beschikten niet over het geld om zelfs maar één pop voor hun dochter te kopen. Gescinska gebruikt het beeld van de speelgoedwinkel om duidelijk te maken dat de negatieve vrijheid enkel bekommerd is om de toegang tot de speelgoedwinkel en niet om wat er in die winkel zelf gebeurt. Er is wel degelijk een verschil tussen een kind dat uiteindelijk met een pop naar huis gaat en een kind dat met lege handen achterblijft. Het ene kind is dus beter in staat van haar vrijheid te genieten dan het andere, maar de negatieve vrijheidsvisie is onverschillig voor dit onderscheid.

De morele onverschilligheid van de negatieve vrijheid blijkt ook uit het schadebeginsel van John Stuart Mill: elk individu mag doen wat hij wil, zolang hij daarbij een ander maar niet stoort en beperkt in zijn doen. Enkel wanneer je de vrijheid van een ander schaadt, moet er tussenbeide gekomen worden, wat een duidelijke uiting is van een negatieve vrijheidsopvatting die enkel gericht is op de afwezigheid van belemmeringen door anderen. Volgens Gescinska leidt dit schadebeginsel echter tot morele onverschilligheid: als we de ander vrij moeten laten om te doen wat hij wil zolang hij er anderen geen schade mee berokkend, moeten we dan onbewogen en machteloos toekijken wanneer die ander zichzelf schade berokkend?

Gescinska vraagt zich af of het soms niet beter is een individu tegen zichzelf te beschermen en of dit soort van ingrijpen dan een aantasting van de vrijheid van dat individu betekent. Wanneer iemand zich de vernieling in drinkt, is het dan niet onze morele plicht om in te grijpen en die persoon van de drank af te helpen? We kunnen ons beroepen op het schadebeginsel en zeggen dat, zolang die persoon niemand anders schade berokkent, hij kan drinken zoveel hij wil en we hem niet de vrijheid mogen ontnemen te drinken. De vraag die we ons natuurlijk kunnen stellen is in welke mate iemand die kampt met een alcoholverslaving nog echt vrij te noemen valt. De sleutel van de positieve vrijheid ligt in de autonomie van een individu. Bekeken vanuit het perspectief van de positieve vrijheid zullen we dus inderdaad moeten ingrijpen om iemand tegen zichzelf te beschermen. Iemand die zich verliest in drank, verliest zijn autonomie en bijgevolg zijn mogelijkheid tot handelen.

Het pleidooi van Gescinska is dan ook dat vrijheid niet vanzelf komt, maar dat de vrijheid veroverd moet worden. Vrijheid is een werkwoord: de essentie van de vrijheid moet in haar uitoefening liggen. Positieve vrijheid draait om zelfrealisatie en het goede leven. Vrijheid krijgt op deze manier een plaats in het hart van de ethiek. Een mens is pas vrij door het goede te doen en zich op die manier te realiseren als persoon. Vrijheid is de opgave om ons leven op een zinvolle manier in te richten. Of, om het in de woorden van Gescinska te zeggen: “Sta op, begin te leven en heb lief. De vrijheid lonkt.”

Meer lezen: 

Alicja Gescinska – De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbij gaan.

Dit artikel verscheen eerder in Peper:

http://www.jonggroen.be/files/_site/bestanden/nieuws/peper/JG140_PEPER21%20web.pdf

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam

Borgen

Wanneer de Middenpartij door een samenloop van omstandigheden de Deense parlementsverkiezingen wint, wordt Brigitte Nyborg de eerste vrouwelijke premier van Denemarken. Dat is het uitgangspunt van de Deense televisieserie Borgen. In het eerste seizoen van de serie, dat bij ons op dvd te verkrijgen is, volgen we het eerste, woelige jaar van Nyborgs premierschap.

De problemen waarmee Nyborg in deze eerste reeks te kampen krijgt, zijn van verschillende aard. Zo gaapt er regelmatig een kloof tussen Nyborgs persoonlijke overtuigingen en de rol die ze moet vervullen als premier. Daarnaast zijn er de gebruikelijke politieke problemen: wrijvingen binnen de meerderheidspartijen, schandalen die uitlekken of delicate contacten met buitenlandse regeringsleiders. Maar de belangrijkste lijn die doorheen de reeks loopt, is hoe het huwelijksleven van Nyborg steeds sterker onder druk komt te staan. Doordat haar man zijn eigen carrière moet opofferen voor het premierschap van zijn vrouw, komt hun relatie op springen te staan, wat maakt dat Nyborg heen en weer geslingerd wordt tussen haar persoonlijke problemen en haar verantwoordelijkheden als premier.

In recensies over ‘Borgen’ wordt vaak verwezen naar die andere Deense topserie ‘The Killing’, al loopt die vergelijking wat mank. Veel meer dan dat de twee series uit Denemarken afkomstig zijn en dat politiek in beiden een grote rol spelen, hebben ‘The Killing’ en ‘Borgen’ namelijk niet gemeen. Daar waar in ‘The Killing’ telkens één verhaallijn over een hele reeks wordt uitgesponnen, heeft in ‘Borgen’, naast enkele doorlopende verhaallijnen, iedere aflevering een eigen afgerond verhaal. Daarnaast zouden we ook kunnen zeggen dat ‘Borgen’ een iets optimistischer beeld schetst van de politiek. In ‘The Killing’ wordt het politieke systeem voornamelijk afgeschilderd als een wespennest waarin corruptie welig tiert en niemand verbaasd hoeft te zijn wanneer hem een mes in de rug wordt gestoken. De politici die we in ‘Borgen’ te zien krijgen, worden wat positiever geschetst. Naast de politieke spelletjes die uiteraard gespeeld worden, krijgen we ook het idealisme van sommige politici te zien, net als de manier waarop sommigen zich moeten zien overeind te houden wanneer ze in het oog van een mediastorm belanden.

Een mooie extra voor niet-Denen is alvast dat scenarist Adam Price zijn inspiratie niet enkel in de Deense politiek is gaan halen, maar dat bepaalde verhaallijnen ook bij ons een belletje doen rinkelen. Zo komt in de eerste aflevering een politicus in de problemen wanneer uitlekt dat hij privé-aankopen betaald heeft met een kredietkaart van het ministerie en moet later in de reeks een minister opstappen wanneer blijkt dat ze gelogen heeft over haar diploma’s. In ieder geval is de serie makkelijk te volgen voor wie geen notie heeft van de Deense politiek, ook omdat Price alle politieke partijen die in de serie een rol spelen een fictieve naam gegeven heeft die meteen duidelijk maakt waar een partij zich bevindt in het politieke spectrum. ‘Borgen’ is dan ook een aanrader voor al wie benieuwd is hoe je toptelevisiedrama maakt van politiek.

Dit artikel verscheen eerder in Peper:

http://www.jonggroen.be/files/_site/bestanden/nieuws/peper/JG139_PEPER20%20LR.pdf

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Peper / Vlam