Tagarchief: marktisme

De geëconomiseerde samenleving. Nussbaum en Achterhuis in confrontatie met de Frankfurter Schule.

Onlangs studeerde ik af als bachelor in de wijsbeerte. Aangezien ik van nogal wat mensen de vraag kreeg mijn bachelorscriptie te delen, is ze vanaf nu via deze link te vinden. Een korte samenvatting is alvast hieronder terug te vinden.

De afgelopen jaren is de vraag naar de invloed die de economie op onze samenleving uitoefent, een steeds grotere rol gaan spelen in het maatschappelijke en filosofische debat. Zeker nu overheden overal ter wereld alle zeilen moeten bijzetten om de economie, en de financiële sector in het bijzonder, overeind te houden, wordt vaker de vraag gesteld of het rechtvaardig is de welvaart van burgers op te offeren ten voordele van de economie.

In “De geëconomiseerde samenleving. Nussbaum en Achterhuis in confrontatie met de Frankfurter Schule”, worden twee hedendaagse filosofische kritieken op de geëconomiseerde samenleving, deze van Martha Nussbaum en Hans Achterhuis, onder de loep genomen. Daarbij wordt beargumenteerd dat de antwoorden die door deze twee filosofen, en door vele anderen, op deze problematiek geformuleerd worden, onvermijdelijk tekort schieten. Deze kritieken stellen immers het economische systeem dat met onze samenleving samenhangt onvoldoende in vraag.

Toch zijn er wel degelijk kritieken op de toenemende economisering van de samenleving terug te vinden die aangeven dat het kritisch benaderen van dit economische systeem noodzakelijk is. In tegenstelling tot wat veel mensen zouden kunnen denken, zijn deze kritieken ouder dan de opkomst van het zogenaamde “neoliberalisme” dat vandaag regelmatig bekritiseerd wordt. Zo formuleerden enkele filosofen van de Frankfurter Schule reeds in de eerste helft van de twintigste eeuw de idee dat het eigen is aan het kapitalistische systeem dat dit het individu reduceert tot consument. Het kapitalisme is immer gebaseerd op het principe van kapitaalaccumulatie, waardoor er steeds weer nieuwe markten moeten worden aangeboord. Het kapitalisme moet verhandelbaar maken wat voordien onverhandelbaar was, omdat het vermeerderen van kapitaal enkel mogelijk is wanneer er meer wordt geconsumeerd.

Vertrekkend van deze idee wordt in “De geëconomiseerde samenleving” blootgelegd wat er schort aan de oplossingen die zowel Nussbaum als Achterhuis op de problematiek van de economisering van de samenleving formuleren. Beiden bepleiten immers een vorm van “gematigd” kapitalisme, waarmee ze in een contradictie terechtkomen. Wanneer het eigen is aan het kapitalistische systeem om, met het oog op kapitaalaccumulatie, steeds nieuwe markten aan te boren, waardoor het marktdenken uiteindelijk binnendringt in allerlei maatschappelijke domeinen, lijkt het onmogelijk dit systeem in stand te houden en tegelijkertijd deze voortdurende expansie van de markt in te dijken.

In “De geëconomiseerde samenleving” wordt dan ook duidelijk dat Nussbaum en Achterhuis er feitelijk niet in slagen los te komen van de denkwijze die ze bekritiseren. Bij Nussbaum komt dit onder andere tot uiting in haar instrumentele verdediging van kunsten en geesteswetenschappen, waardoor ze zich uiteindelijk van eenzelfde nutslogica bedient als diegene die ze bekritiseerd. Achterhuis blijft dan weer blind voor de macht die de ideologie van het economisch denken op de samenleving uitoefent wanneer hij een mogelijkheid tot verzet tegen dit economisch denken uitdenkt, hoewel hij in de rest van zijn analyse net aan het ideologische karakter van dit denken veel aandacht besteedt. Beide auteurs blijken dus onvoldoende in staat uit het heersende denkkader te stappen, iets waar de denkers van de Frankfurter Schule beter in geslaagd zijn.

De stelling die in de scriptie verdedigd wordt, is dan ook dat een kritiek op de geëconomiseerde samenleving onvermijdelijk tekort schiet wanneer het hiermee samenhangende kapitalistische systeem niet kritisch genoeg bevraagd wordt. Het in vraag durven stellen van de kapitalistische dogma’s is dan ook niet het alleenrecht van de marxistisch geïnspireerde denkers van vroeger en nu, maar is noodzakelijk voor ieder die een gefundeerde kritiek wil formuleren op de tendens van economisering die onze samenleving vandaag kenmerkt.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Marktisme (What’s in a name?)

Ze waren niet meer te tellen, de artikels die op de redactie van het tijdschrift ʻStrevenʼ aangeboden werden en die allemaal draaiden rond dezelfde thema’s: vermarkting, commercialisering, kwantificering, neoliberalisme of hoe men het noemen wil. Bij de redactie ontstond zo het idee een aantal van deze artikels te bundelen tot een boek, dat de titel ʻMarktisme. Kritiek op het berekenende samenlevingʼ meekreeg.

Over de titel waren ze het blijkbaar niet meteen eens. Want wat betekent de term ʻmarktismeʼ immers? Het woord werd een paar jaar geleden gelanceerd door de Nederlandse socioloog Abram De Swaan, maar is nog geen gemeengoed. Toch vat de term, volgens filosoof Guido Vanheeswijck, de in de verschillende artikels waaruit dit boek bestaat beschreven situatie treffend samen: net als vele andere -ismen verwijst marktisme namelijk naar een bepaald ideologisch kader met totalitaire trekken.

Marktisme als totalitarisme

Het artikel waarin Van Heeswijck een analyse maakt van het totalitaire karakter van het marktisme, is dan ook één van de eersten die in de bundeling zijn opgenomen. Om zijn stelling dat het marktisme beschouwd kan worden als een totalitarisme, valt Van Heeswijck terug op de omschrijving die de bekende filosofe Hannah Arendt in het standaardwerk ʻThe Origins of Totalitarianismʼ van het begrip totalitarisme geeft en de toepassing van dit begrip op het nazisme en het communisme. Toch zijn er al meteen twee belangrijke verschillen die hij opmerkt en die het marktisme onderscheiden van de twee andere doctrines.

In de eerste plaats propageert het marktisme, in tegenstelling tot nazisme of communisme, geen inhoudelijk project: het predikt geen politieke of economische revolutie en viseert geen ras als inferieur of verderfelijk. Een tweede belangrijk verschil bestaat in het feit dat het marktisme geen gezicht heeft: er is geen leider, geen persoon die het belichaamt. Het totalitaire van het marktisme toont zich daarom op paradoxale wijze: er is machtsuitoefening, maar geen machtsconcentratie in één individu. In een ander artikel dat in de bundeling is opgenomen maakt schrijver en filosoof Greg Houwer een gelijkaardige bedenking: macht is, zo stelt hij, van alle tijden, maar waar ze vroeger zichtbaar en identificeerbaar was, heeft ze nu een veel onzichtbaarder en meer alomtegenwoordig karakter. Het marktdenken is immers tot in alle geledingen van onze samenleving doorgedrongen en heeft met haar nuts- en winstmaximaliserende logica overal een onzichtbare hand in. De identificeerbare macht, in de vorm van ministers of staatsleiders, is hierdoor, volgens Houwer, misschien wel machtelozer geworden dan ooit tevoren.

Newspeak

Het marktisme mag dus wel ongrijpbaar zijn, juist daarom dringt het makkelijk tot alles door. Socioloog Walter Weyns vergelijkt het begrip dan ook met lucht: je moet al bijna onder een stolp leven om te vermijden het in te ademen. En wie het inademt raakt al snel licht geïntoxiceerd en ziet de wereld op zijn kop. Het marktisme draait immers de betekenis van waarden en woorden om. Het hanteert een vorm van ʻnewspeakʼ, een term die gelanceerd werd in George Orwells bekende dystopische roman ʻ1984ʼ. Orwell beschrijft de term als een taal die uitgedacht is om te voorzien in de ʻbehoeften van de ideologieʼ, een taal op maat van techneuten en experten, die geen ruimte voor reflectie laat.

Dat het marktisme al diep in onze cultuur is doorgedrongen, valt dan ook te merken aan ons taalgebruik, omdat de betekenis van woorden steeds meer verengt tot de economische betekenis. Zoals theatermaker Stijn Devillé in zijn theatertekst ʻHebzuchtʼ opmerkt, verliezen woorden als ʻzorgʼ, ʻvertrouwenʼ, ʻdelenʼ of ʻhoudenʼ hun betekenis, omdat ze nog slechts klinken als ʻconcernʼ, ʻtrustʼ, ʻshareʼ of ʻholdingʼ.

Onderwijs en de markt

Dat het marktisme op allerlei maatschappelijke domeinen aanwezig is, blijkt onder andere in het onderwijs. Een aantal artikels in het boek behandelen dan ook specifiek de vraag in welke mate de toegenomen drang tot kwantificering en het toegenomen marktdenken nefast zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. Jong Groen wijdde hier vorig jaar al eens een debat aan, waarin o.a. VDAB-topman Fons Leroy en minister van Onderwijs Pascal Smet de vraag kregen voorgelegd in welke mate onderwijs zich op de markt moet richten. De laatste jaren werden immers allerlei ideeën gelanceerd die suggereren dat onderwijs exclusief de taak heeft mensen voor te bereiden op een plek op de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld het voorstel om de inschrijvingsgelden van opleidingen waar op de arbeidsmarkt weinig vraag naar is fors op te trekken en deze van door de arbeidsmarkt gegeerde opleidingen zeer laag te maken.

Maar ook op allerlei andere vlakken komt het onderwijs steeds meer onder druk van ʻde marktʼ te staan. Zo zet Walter Weyns bijvoorbeeld vraagtekens bij het zogenaamde ʻflexibele studerenʼ, dat in plaats van ervoor te zorgen dat studenten zich ten volle op hun studie zouden kunnen richten maakt dat studenten net voortdurend worden afgeleid door allerlei bureaucratische regels. Aan de kant van de leerkracht merkt leraar Frank Saenen in zijn artikel dan weer op dat de onderwijsinspectie leerkrachten meer en meer dwingt tot standaardisering van het lesgeven en dat de individuele invulling van het vak en de eigenheid van de individuele leerkracht steeds meer naar de achtergrond verdwijnen. En er is de algemene bemerking van filologe Rosine Van Oost dat, zoals ook filosofe Martha Nussbaum in ʻNot for Profitʼ opmerkt, de arbeidsmarktgerichtheid van het onderwijs ten koste gaat van het onderwijs in de kunsten en geesteswetenschappen, die nochtans een bijzondere eigen bedrage leveren aan de ontwikkeling van het individu.

Complex, warrig, ongrijpbaar

De reikwijdte van de verschillende artikels die alleen al over onderwijs gaan, geven aan dat het boek zeer breed is opgebouwd. Net daarom is het moeilijk om het marktisme echt precies te omschrijven. Voor de samenstellers was het formuleren van een precies antwoord op de vraag wat het marktisme nu precies is dan ook niet het hoofddoel: het marktisme is immers complex, warrig en ongrijpbaar. In plaats daarvan kozen ze ervoor een aantal verschillende artikels samen te brengen die aangeven wat er in allerlei verschillende domeinen aan de gang is, zoals in de politiek, het onderwijs, sport, cultuur en gezondheidszorg. In plaats van een exacte definitie krijgt de lezer dus een hele waaier aan ideeën en observaties aangeboden, die hij zelf bij elkaar moet zien te puzzelen en wordt hij uitgenodigd zich zelf een gefundeerde mening te vormen over de beschreven problematiek. Wie zich een beeld wil vormen hoe het marktisme concreet in ons leven ingrijpt, is bij deze dus uitgenodigd het boek zelf eens ter hand te nemen. 

 

Dit artikel verscheen eerder in Peper

1 reactie

Opgeslagen onder Peper / Vlam